Redactioneel

Ons rugzakje

Het is al weer een aantal jaren geleden dat de vrijzinnige predikant Klaas Hendrikse een boekje schreef onder de titel Geloven in een God die niet bestaat. Het werd een bestseller. Hendrikse was een atheïstische theoloog, die zich niet langer kon vinden in het traditionele godsgeloof. Daarin wordt God voorgesteld als een persoonlijk wezen dat ingrijpt in de gang der natuur en het leven van mensen. Mede door de verschrikkelijke dingen door het nationaalsocialistische bewind in het Westen begaan en die door de Japanners in het Oosten, zijn velen hun geloof in God, zoals dat in de traditie leefde en deels nog wordt geleerd, kwijt geraakt. Daarom sloeg het boek van ds. Hendrikse zó aan. Men herkende zich in diens problemen met de bestaande theologie. Hij aanvaardde echter de mogelijkheid toch zinvol over God te spreken zonder de oude voorstellingen aangaande God op te vatten als feitelijk juist. Het ging hem om een spreken over God in de trant van een “alsof”. Je kunt dan spreken van een symbolische betekenis.

Maar er is iets anders dat zijn boek interessant maakt. Dat is het beeld van een rugzakje dat we allemaal, ons leven lang, met ons meedragen. Het is een heel verhelderend beeld. Dat rugzakje bevat de erfenis die wij met ons meenemen en die bestaat uit het geheel van al wat wij in ons leven hebben ontvangen, bestaande uit ervaringen, opvattingen en overtuigingen, en onze verwerking daarvan. Hendrikse wijst erop dat wij steeds weer nieuwe dingen in dat rugzakje stoppen, maar er ook dingen uithalen. Dat betekent dat we, zo lang wij leven, nieuwe indrukken ontvangen en nieuwe inzichten opdoen. Maar soms halen we ook dingen uit ons rugzakje, die we niet meer aanvaarden. Ik herinner mij dat indertijd de vrijzinnig-hervormde predikant in Rijswijk, ds. P. Jonges, ons voorhield dat je nooit bij het doen van belijdenis kan beloven later altijd vast te houden aan het geloof dat je nu huldigt. Hij zag in, dat mensen zich gedurende hun leven blijven ontwikkelen. Dat geldt ook voor het geloof. En het was prof. dr. L.J. van Holk, godsdienstwijsgeer in Leiden, die ons, studenten, voorhield eens in de vijf jaar eens na te gaan wat je dan gelooft en vast te stellen hoe je geloofsinhoud eventueel is veranderd.

Nu we meer thuis moeten blijven is het misschien zinvol eens ons rugzakje te inspecteren. We zullen dan waarschijnlijk zien hoe we in de loop van de tijd, wellicht onbewust, heel andere opvattingen zijn gaan huldigen. Maar we zullen ongetwijfeld op verschillende punten ook op overtuigingen stuiten die niet veranderd zijn. Ieders rugzakje bevat een persoonlijke inhoud. Het is boeiend om, als we weer samen kunnen komen, met elkaar opnieuw in gesprek te komen en elkaar te verrijken met die onderling verschillende inhoud van onze rugzakjes. Want dat maakt een vrijzinnige gemeenschap zo boeiend. We zijn geen gelóófsgemeenschap in de zin, dat wij één en hetzelfde geloof delen, maar wèl een gemeenschap in die zin, dat we in alle openheid met elkaar willen delen in wat we gedurende ons leven aan inzichten en overtuigingen hebben verworven. De gedachten van anderen kunnen ons verrijken, en daar waar wij van inzicht verschillen ons helpen ons meer bewust te maken van onze eigen overtuiging.

dr. Rob Nepveu

God in Maarssen?

Ik wil het met u over God hebben.

De eerste vraag is zou dan kunnen zijn: bestaat God?
Daaraan gekoppeld is de vraag: wie of wat is God dan?

De filosoof Richard Swinburne zegt daarover:
Hoe moeten wij de uitspraak dat er een God is begrijpen?
Ik stel – voorlopig – het volgende voor:
er is een noodzakelijkerwijs eeuwig, in essentie onlichamelijk
alomtegenwoordig wezen, schepper en bewaarder van elk
mogelijk universum, absoluut vrij, almachtig, alwetend,
al-goed en bron van morele verplichting.

Dit uitgangspunt zou een begin van onze discussie kunnen vormen. Want, als vraag blijft liggen, is een Godheid op deze manier te omschrijven? De filosoof Kierkegaard zegt er het zijne van: God bestaat niet, hij is eeuwig.
Bedoelt hij daar mee dat God het universum overstijgt? Dan zou het betekenen dat bijvoorbeeld God niet moeten vergelijken met de Mens, Gods almacht niet met die van een louter menselijke macht. God zou dan een ondoorgrondelijke macht zijn.

De theoloog Bonhoeffer beweerde dat we God moeten zoeken in wat we niet weten en vooral in wat we niet weten. Hij definieerde God als het onbekende (of de andere) midden in het leven, omdat de daadwerkelijke betekenis van God niet ligt in een transcendente God die ver boven en buiten ons staat, maar die zich in ons midden bevindt. Anders gezegd, we moeten God zien als immanent (van het Latijnse in + manere, = ‘wonen in’ of ‘verblijven’), om een term te gebruiken die overeenkomt met transcendentie.

De Britse denker Flew stelt dat God niet als een object te midden van andere objecten in het heelal kan worden opgevoerd. Het is volgens hem onmogelijk om op eenduidige wijze over God te spreken, waardoor we ons bedienen van formuleringen als ondoorgrondelijk, volledig onbegrepen en met geen pen te beschrijven. Hij vraagt zich af waarom wij deze woorden willen gebruiken? Waarom niet simpelweg voor waar aannemen dat het begrip van God als transcendent in absolute zin niet alleen onbegrepen, maar ook onbegrijpelijk is? Maar dat is nu juist het onbegrijpelijke van het mysterie. Voor Wittgenstein gaat het niet om hoe de wereld is, maar dat ze is, want dat is het mysterie.

 
 
     
  U bent welkom in de Wilhelminakapel aan de Wilhelminaweg 7 - 3603 CR Maarssen

de Wilhelminaweg is het verlengde van de Schippersgracht langs/ achter kasteel Bolenstein