Redactioneel

LUTHER EN ERASMUS

In de vijftiende eeuw, de eeuw voor de reformatie, ontwikkelt zich in de Nederlanden het humanisme, Eerder, aan het einde van de dertiende eeuw, neemt deze ontwikkeling in Italië een aanvang en komt daar het tot grote bloei. Het humanisme is de filosofisch - literaire kant van een stroming, die in de beeldende kunst en de architectuur als de renaissance bekend staat.
Overigens worden beiden namen door elkaar gebruikt. In tegenstelling tot het moderne humanisme, dat voortkomend uit de oude traditie los is komen te staan van het christendom, was het humanisme in die tijd een stroming binnen het christendom.

In de Nederlanden komen veel vooraanstaande humanisten uit de kringen van de Moderne Devotie van Geert Groote. Als eerste dient hier genoemd te worden Wessel Gansfort. Zijn in 1522 verschenen Farrago bevat reformatorisch gezinde beginselen, waarvan Luther later zal zeggen, dat alles wat er in staat door hem (Luther) niet had kunnen worden beter verwoord. Gansfort vat de bijbel op al enige leidraad en Christus als enige verlosser. Zijn visie op het Avondmaal bereikt via zijn leerlingen Hinne Rode en Cornelis Hoen Zwingli, die de leer uitwerkt. De scholing van de Broederschap des Gemeenen Levens brengt nog meer humanisten voort waaronder Alexander Hegius, die een leermeester was van Erasmus.

Desiderius Erasmus ontvangt zijn scholing in deze traditie en groeit uit tot haar belangrijkste vertegenwoordiger. Vanuit de humanistische belangstelling voor de oude talen en de brongeschriften vertaalt hij het Nieuwe Testament vanuit het Grieks in het Latijn, toen de gangbare taal in de wetenschappelijke wereld. De publicatie van deze vertaling naast de Griekse versie, voorzien van commentaren, in 1516 onder de naam Novum Instrumentum veroorzaakt nogal wat opschudding, omdat duidelijk wordt gemaakt, dat de Vulgaat vertaling op diverse plaatsen fouten bevat. De Vulgaat was de basis voor de Scholastiek: de methodiek om de bijbel en de geschriften van de kerkvaders te interpreteren met gebruikmaking van het logische instrumentarium van Aristoteles.

Overigens heeft Luther van de tweede publicatie gebruik gemaakt bij zijn vertaling van het Nieuwe Testament in het Duits. Daarnaast heeft Erasmus zich verdienstelijk gemaakt door de geschriften van de kerkvaders beschikbaar te maken. Daarbij ging zijn voorkeur uit naar Hiëronymus, die hij in plaats van Augustinus als de voornaamste kerkvader zag.

Voor Erasmus was Christus een leraar van de mensheid, zoals die in de bergrede naar voren komt. In die zin verwacht hij dan ook navolging van de geestelijkheid. De erfzonde stelt hij is een theologische hypothese en geen theologische waarheid. De zonde vloeit voort uit een verkeerde menselijke keuze en is geen aanleiding voor God voor wraakneming in de vorm van een hel. Zo denkend wordt de verlossing een niet bestaand begrip en worden aflaten, en zeker de manier waarop ermee wordt omgegaan door de Kerk, een gruwel. Wel is de mens vrij in zijn keuze. Juist op dit punt wekt hij ergernis bij Luther, die toch al niet gecharmeerd was van de accentverlegging door Erasmus van verlosser naar leraar in de rol van Christus.

Erasmus van zijn kant zag Luther als te revolutionair. De kerkhervorming, die Erasmus voor ogen stond verliep langs lijnen van geleidelijkheid. Erasmus verkeerde door zijn uitlatingen in een moeilijk parket. Op enig moment waren er zelfs verdenkingen, dat hij Luther ideeën tot hervormingen aanreikte! Met steun van Hendrik VIII van Engeland en hertog Georg van Saksen komt het in 1524 tot een rechtstreekse aanval op Luther, nadat reeds geruime tijd over en weer speldeprikken waren toegediend, met de publicatie van De libero arbitrio Diatribe sive Collatio (Verhandeling over de vrije wil). Hij stelt dat, indien de mens zoals Luther beweerde niet vrij zou zijn in de keuze die dingen te doen, die hem tot heil of verderf brengen, zulks hem zou verleiden tot een zedeloos leven.

Bovendien levert de stelling in theologisch opzicht geen dieper inzicht op. Hij wijst erop dat de scholastiek zich diepgaand met het vraagstuk heeft bemoeid zonder tot een eenduidige oplossing te komen. En passant stelt hij dat dus ook de Heilige Schrift niet volkomen duidelijk is. Erasmus wil hieruit de conclusie laten trekken, dat in deze zaken geen absolute en definitieve conclusies kunnen worden getrokken: God is zo hoog boven ons verheven, dat wij altijd slechts een deel van zijn waarheid kunnen begrijpen. Diegenen, die met absolute waarheden aankomen, dienen met gepaste scepsis behandeld te worden.

Luther reageert vrijwel onmiddellijk in 1525 met een geschrift, dat de titel De servo arbitrio (De slaafse wil) droeg. Deze titel ontleent hij veelbetekenend aan Contra Julianum, een anti-Pelagiaans schrijven van Augustinus. (Pelagius verwierp de leer van de erfzonde. Julianus van Eclanum, een navolger van Pelagius, viel Augustinus persoonlijk aan.) In dit boek vat een getergde Luther zijn theologische inzichten samen in een verdediging tegen Erasmus aanval. Zoals telkens wanneer Luther wordt aangevallen, levert dit een verdieping en verduidelijking op van zijn stellingen. In De servo arbitrio betrekt Luther in zijn leer over de onvrije wil ook de helderheid van de Heilige Schrift, de kenbaarheid van de geopenbaarde God (Deus revelatus) en de onkenbare God (Deus absconditus) en de praedestinatie.

Tegenover het scepticisme van stelt Erasmus Luther, dat de Heilige Geest geen scepticus is. De Geest geeft de zekerheid en wel in de Schrift. In de Schrift maakt God zich bekend. De Schrift bevat de boodschap van Gods heilsplan met de mens en legt daar ondubbelzinnig getuigenis van af. De dubbelzinnigheid ontstaat pas bij de lezer, die niet bereid is objectief en onbevooroordeeld de bedoeling, die God met hem heeft, in de tekst te lezen. In de Schrift is Christus te vinden. Door Hem wordt alles in hoofdlijnen duidelijk. De dan nog resterende detailproblemen worden veroorzaakt door gebrek aan kennis. Alleen om deze laatste problemen op te lossen is hulp van deskundigen, schriftgeleerden, nodig.

De vrije wil is aan Gods almacht voorbehouden. De mens is slechts als een rijdier, dat door God of door de duivel bereden wordt. De Wet, die door Erasmus wordt aangevoerd als argument voor het vrij zijn van de wil, is door God gegeven om de mens te laten inzien wat hij fout doet. Het is slechts de genade van God, die de mens met zijn neiging tot het kwade tot het heil kan brengen.

Het heil is door Christus bewerkt. De mens is het onmogelijk iets te doen om zijn heil te bewerkstelligen of te niet te doen. De mens is niet bij machte om zich te verzetten tegen de Goddelijke voorbeschikking. Deze praedestinatie heeft twee kanten. De verwerping als tegenhanger van de beschikking tot heil bestaat uitsluitend mogelijkheid, die in genade niet wordt uitgewerkt. Waarom deze beschikking zo is getroffen, is een deel van God waarvan de mens geen kennis heeft. Het is de verborgen kant van God: Deus absconditus. Ook de redenen, waarom God ondanks zijn voorkennis (praescienta) in zowel de weldoende als de kwaaddoende mens werkzaam is, blijven verborgen.

Als Erasmus kennis neemt van De servo arbitrio ziet hij zijn mening over Luther, als zijnde een onhandelbare monnik, bevestigd. Hij reageert met de uitgave van Hyperaspistes (buitengewoon schilddrager), waarin hij openlijk afstand neemt van de hervorming. De persoonlijkheid van Luther, die hij beschuldigt van het uitlokken van de boerenopstand, en diens theologische stellingname maken het hem onmogelijk zich nog langer voor de zaak van de Hervorming in te zetten. In het vervolg koos hij zijn eigen weg: los van de Hervormers en los van Rome. In zijn kielzog volgden vele vooraanstaande humanisten. De breuk tussen Luther en Erasmus laat zich tot in onze tijd voelen. Hun grote geschilpunt over de wilsvrijheid is ook in onze dagen nog steeds een punt van discussie, ook al staan sinds Kant de verdedigers van de vrije wil sterker.

Wim Ulijn

 
 
     
  U bent welkom in de Wilhelminakapel aan de Wilhelminaweg 7 - 3603 CR Maarssen

de Wilhelminaweg is het verlengde van de Schippersgracht langs/ achter kasteel Bolenstein